3 bezoekers aanwezig.
|
|
Rasstandaard Bordeaux Dog
Publicatiedatum van de momenteel van kracht zijnde originele standaard
04 november 2008, nummer 116
Land van herkomst Frankrijk
Taak Waken, verdedigen en afschrikken
FCI indeling Groep 2 Pinschers, Schnauzers, Molossers en Zwitserse
Sennenhonden Sectie 2.1 (Dogachtige Molossers) Geen werkproef Korte
historische achtergrond De Bordeaux Dog is een van de oudste Franse rassen,
stamt waarschijnlijk af van de Alans, met name de ‘alan vautre’ over wie Gaston
Phoebus (of Febus), Graaf van Foix, in de veertiende eeuw in zijn ‘Livre de
Chasse’ (Boek over de Jacht) zei dat hij “een sterkere beet had dan drie
windhonden”. Het woord ‘dog’ wordt voor het eerst gebruikt eind veertiende eeuw.
In het midden van de negentiende eeuw waren deze oude doggen eigenlijk alleen
nog befaamd in Aquitaine (het uiterste zuid-westen van Frankrijk, bij de
Atlantische oceaan). Ze werden er gebruikt bij de jacht op grof wild (wild
zwijn), in (vaak gereguleerde) gevechten, voor de bewaking van woningen en vee,
en als slagershond. In 1863 vond in Parijs in de Planten- en Dierentuin de
eerste Franse hondententoonstelling plaats. Bordeaux Doggen waren er onder hun
huidige rasbenaming ingeschreven. Er waren verschillende typen: van Toulouse,
van Parijs, en van Bordeaux, uit het laatste komt huidige Bordeaux Dog voort.
Het ras had veel te lijden tijdens de twee Wereldoorlogen, zo zelfs dat het na
de oorlog van 1939-1945 dreigde uit te sterven. In de zestiger jaren leefde het
echter weer helemaal op. De eerste standaard stamt van 1896, gepubliceerd
onder de titel ‘Caractère des vrais dogues’ (De aard van ware doggen) in ‘Le
Dogue de Bordeaux’ van Pierre Mégnin. De tweede standaard stond in J.
Kunstler’s boek ‘Étude critique du Dogue de Bordeaux’ (Kritische studie over de
Bordeaux Dog) van 1910. De derde standaard, van 1971, is van de hand van
Raymond Triquet, met medewerking van dierenarts Dr Maurice Luquet. De vierde
standaard is een herformulering hiervan op basis van het FCI-Jerusalem-model,
gemaakt in 1993 door Raymond Triquet met medewerking van voorzitter Philippe
Sérouil en het bestuur van de Franse rasvereniging, de Société des Amateurs de
Dogues de Bordeaux. Enige details werden in 2007 toegevoegd door Raymond Triquet
(ere-voorzitter SADB) , Sylviane Tompousky (voorzitter SADB) en Philippe Sérouil
(bestuurslid SADB)
Algehele indruk Een typische molosser met
een holrond breed hoofdtype. De Bordeaux Dog is een zeer krachtige hond, met een
uiterst gespierd lichaam dat ook harmonisch belijnd is. Hij is wat laag gesteld,
hetgeen zeggen wil dat de afstand van borstbeen tot de grond iets kleiner is dan
de diepte van de borst. Compact, atletisch, imposant, komt behoorlijk afwerend
over.
Belangrijke verhoudingen De lengte van het lichaam, van
de verste voorpunt van de schouder tot de achterkant van de dij, is groter dan
de schofthoogte, in de verhouding 11:10. De borstdiepte is meer dan de helft
van de schofthoogte. De maximale snuitlengte is gelijk aan een derde van de
lengte van het hoofd. De minimale snuitlengte is gelijk aan een kwart van de
lengte van het hoofd. Bij de reu is de omtrek van het hoofd ongeveer gelijk
aan de schofthoogte.
Gedrag/karakter Als voormalige vechthond
heeft de Bordeaux Dog een gave voor bewaken. Dat is een taak die hij nauwlettend
en met grote moed uitvoert, maar zonder agressiviteit. Hij is een goede
kameraad, zeer gehecht aan zijn baas en erg aanhankelijk. Rustig, evenwichtig,
met een hoge prikkeldrempel. Reuen hebben over het algemeen een dominant
karakter.
Hoofd Volumineuze, hoekig, breed, tamelijk kort, van
boven en van voren gezien trapeziumvormig. De lengtelijn over de schedel en die
over de snuit raken elkaar in een wijde hoek. Het hoofd is gegroefd met
symmetrische rimpels aan beide zijde van de mediaan groef. Deze diepe en
gewrongen rimpels zijn beweeglijk , afhankelijk van de vraag of de hond attent
is of niet. De rimpel die van de binnenste hoek van het oog loopt naar de hoek
van de mond is typisch. Als de rimpel van de buitenste ooghoek naar de
mondhoek/keelhuid aanwezig is , moet deze onopvallend zijn.
Schedel
Bij de reu is de omtrek van de schedel, op het breedste punt gemeten, ongeveer
gelijk aan de schofthoogte. Bij de teef kan die iets minder zijn.
Volume
en vorm van de schedel worden bepaald door de sterk ontwikkelde slaapbeenderen,
wenkbrauwen, jukbeenderen en ruimte tussen de bogen van de onderkaak Het
schedeldak loopt van de ene naar de andere kant enigszins bol.
De
overgang van voorhoofd naar neus, oftewel de stop, is zeer duidelijk gemarkeerd
en vormt met de neusrug een bijna rechte hoek (ongeveer 95 tot 100 graden).
De diepe voorhoofdsgroef verloopt richting achterhoofd naar minder diep. Het
voorhoofd, dat breder is dan hoog, overheerst het aangezicht.
Gezicht
Neus Breed met goed openstaande neusgaten, pigmentatie in
overeenstemming met het masker. Een lichte mate van wipneus is toegestaan, maar
de neus mag niet terug kantelen richting ogen.
Snuit Krachtig, breed, dik maar niet opgevuld
onder de ogen, tamelijk kort, in profil mag de bovenlijn iets hol zijn, met
lichtjes aangezette plooien. Naar het eind van de snuit neemt de breedte
nauwelijks af, van bovenaf gezien ziet de snuit er zo goed als vierkant uit. Een
lijn over de snuit vormt met de lijn over de bovenschedel een naar boven
openstaande wijde hoek. Als het hoofd horizontaal wordt gehouden steekt het
einde van de snuit – die stomp en dik is en breed aan de basis – iets onder de
neus uit.
De omtrek van de snuit is ongeveer twee derde van de omtrek van
het hoofd. De lengte van de snuit is ongeveer een kwart tot een derde van de
hele lengte van het hoofd, gemeten van neuspunt tot jachtknobbel. Uiterste
grenzen (meer dan een derde en minder dan een kwart) zijn toegestaan, maar
liever niet; de ideale snuitlengte ligt ertussen in.
Kaken Zeer
krachtig, breed. De hond is ondervoorbijter, dit is een raskenmerk. De
achterkant van de snijtanden in de onderkaak bevindt zich voor de voorkant van
de snijtanden in de bovenkaak en de snijtanden raken elkaar niet. De onderkaak
kromt zich naar boven. De kin is duidelijk zichtbaar en mag de bovenlip niet
overmatig wegdrukken maar er ook niet door bedekt worden.
Tanden
Sterk, vooral de hoektanden. De onderste hoektanden staat ver uit elkaar en
hellen enigszins. De snijtanden staan keurig op rij, met name in de onderkaak
waar ze een zo goed als rechte lijn vormen.
Bovenlip Dik, matig
hangend, kan zich samentrekken. Van opzij is de onderlijn rond. Bedekt aan de
zijkanten de onderkaak. Van voren gezien raakt de rand van bovenlip in het
midden aan de onderlip en loopt naar de zijkanten uit in de vorm van een
omgekeerde wijde V.
Wangen Dankzij een sterke ontwikkeling van
de spieren duidelijk aanwezig.
Ogen Ovaal, staan ver uit
elkaar. De afstand tussen de binnenhoeken van de oogleden is ongeveer gelijk aan
twee maal de lengte van het oog (oogopening). Vrijmoedige uitdrukking. Knipvlies
(derde ooglid) mag niet zichtbaar zijn.
Oogkleur nootbruin tot
donkerbruin bij honden met een zwart masker; bij honden met een bruin masker of
zonder masker is een iets lichtere tint aanvaardbaar, maar liever niet.
Oren Relatief klein, iets donkerder van tint dan de vacht. Bij de
aanzet gaat de basis van het oor aan de voorkant iets omhoog. De oren moeten
neervallen maar niet slap hangen, als de hond attent is zit de rand aan de
voorkant tegen de wang aan. De onderste punt is iets afgerond en mag niet
voorbij het oog kunnen komen. De oren zijn tamelijk hoog aangezet, ter hoogte
van de bovenlijn van de schedel, waarvan ze de grootte nog schijnen te
beklemtonen.
Nek Zeer krachtig, gespierd, zo goed als
cilindrisch. Ruim, los en soepel vel. De gemiddelde omtrek is bijna gelijk aan
die van het hoofd. De nek is van het hoofd gescheiden door een licht
geaccentueerde en iets gebogen groef overdwars. Bovenkant van de nek enigszins
bol. De duidelijk aanwezige keelhuid begint bij de keel en vormt plooien tot aan
de borst, maar hangt niet erg los. De nek is aan de basis heel breed en loopt
vloeiend over in de schouders.
Lichaam
Bovenbelijning
Krachtig met een brede en gespierde rug, goed gemarkeerde schoft, brede,
tamelijk korte en stevige lendenen.
Kruis Loopt lichtjes af tot
de staartaanzet.
Borst Imposant, lang, diep, breed, reikt tot
iets onder de ellebogen. Brede en krachtige voorborst met een onderlijn (tussen
de schoft) die bol is ten opzichte van de bodem. De ribben goed diep en gewelfd
maar niet tonvormig. De omtrek van de borstkas is ongeveer 25 tot 35 centimeter
meer dan de schofthoogte.
Onderbelijning Harplijn, van de
behoorlijk diepe borst tot de tamelijk oplopende en stevige buik, die dus niet
hangt, maar ook niet zo hoog is ingetrokken als bij een windhond.
Staart Zeer dik bij de aanzet. De punt
komt bij voorkeur tot, maar niet verder dan, het spronggewricht. De staart wordt
laag gedragen, is soepel, zonder knik of knobbel. In rust hangt hij, maar komt
de hond in actie dan verheft hij zich tussen 90 en 120 graden, zonder zich over
de rug te buigen of te krullen.
Ledematen
Voorhand
Stevig bot, zeer gespierde benen.
Schouders Krachtig met
duidelijk zichtbare spieren. Het schouderblad ligt matig schuin (ongeveer 45
graden ten opzichte van het horizontale vlak), de hoek van het boeggewricht
(schouderblad-opperarm) is iets groter dan 90 graden.
Opperarm
Zeer gespierd.
Ellebogen In de as van het lichaam, niet te
dicht tegen de borstkas aan en ook niet teveel uitdraaiend.
Onderarm
Van voren gezien: recht of iets naar binnen wijzend, dus dichter naar de
middellijn, in het bijzonder bij honden met een zeer brede borst. Van opzij
gezien: verticaal.
Middenvoet Krachtig. Van opzij gezien licht
hellend. Van voren gezien soms iets uitdraaiend om een licht naar binnen
neigende onderarm te compenseren.
Voeten Stevig, tenen dicht
tegen elkaar aan, kromme, stevige nagels, goed ontwikkelde en soepele
voetkussens. Ondanks zijn gewicht staat de hond goed op zijn tenen.
Achterhand Stevige benen met krachtig bot, goed gehoekt. Van achteren
gezien geven de achterbenen, die goed parallel en verticaal staan, een indruk
van kracht, ook al is de achterhand iets minder breed dan de voorhand.
Dij Goed ontwikkeld en flink, met duidelijk zichtbare bespiering.
Knie Ligt in een vlak parallel aan de mediaan of iets daarbuiten.
Onderbeen Tamelijk kort, bespierd, loopt laag door.
Hak
Kort, pezig, vrij wijde hoek.
Middenvoet Stevig. Geen
hubertusklauwen.
Voeten Iets langer dan de voorvoeten, tenen
dicht tegen elkaar aan.
Gangwerk Voor een molosser redelijk
soepel. In stap is het gangwerk vrij, soepel, dicht bij de grond. Goede stuwing
vanuit de achterhand, goed uitreikende voorhand, speciaal in draf, wat de gang
is die de voorkeur heeft. Als de draf versnelt heeft het hoofd de neiging om te
zakken, de bovenbelijning om naar voren te hellen en de voorvoeten om zich meer
naar het midden plaatsen, terwijl ze ver naar voren neerkomen. Bij korte galop
tamelijk veel verticale beweging.
Kan op korte afstanden, waarbij hij er
tamelijk laag bij de grond van door gaat, een flinke snelheid bereiken.
Huid Dik en voldoende los zonder overdreven rimpels.
Vacht
Beharing Fijn, kort en voelt zacht aan.
Kleur
Eenkleurig in het hele gamma van roodtinten, van mahonie tot
isabella.(lichtbeige).
Een goede pigmentatie is gewenst. Enkele kleine
witte plekjes op borst en onderaan de benen zijn toegestaan.
Masker
1) Zwart masker Het masker is vaak maar beperkt van omvang, en mag niet
doorlopen tot op de schedel. Wel mogen er donkerder schakeringen voorkomen op de
schedel, de oren, de hals en de bovenkant van het lichaam. Bij dit masker moet
de neus zwart zijn.
2) Bruin (vroeger genaamd rood of roetbruin) masker
De neus is ook bruin, evenals de rand van de oogleden en lippen.
3) Geen
masker De vacht is in een roodtint, de huid lijkt rood (vroeger heette dit ‘rood
masker’). De neus is roodachtig of rose.
Maat De hoogte moet
min of meer overeenstemmen met de omvang van de schedel.
Reu 60 tot 68
centimeter schofthoogte.
Teef 58 tot 66 centimeter schofthoogte.
Een centimeter minder en twee centimeter meer zijn toegestaan.
Gewicht Reu tenminste 50 kilogram.
Teef tenminste 45 kilogram.
Teven dezelfde kenmerken maar minder
uitgesproken.
Fouten Iedere afwijking van het voorgaande
moet worden beschouwd als een fout, die moet worden aangerekend in verhouding
tot de ernst ervan en het effect op het welzijn en de gezondheid van de hond.
Ernstige fouten - afwijkend formaat hoofd ( te klein of overdreven
groot)
- Overgetypeerd als een Bulldog (platte schedel, snuit
korter dan een kwart van de totale hoofdlengte)
Gezwollen
vouw achter de neus. Opvallende vouw rond de schedel
- Onderkaak aanzienlijk scheef.
- Snijtanden permanent zichtbaar bij gesloten mond. Erg
kleine snijtanden, ongelijke stand.
- Ronde rug (karperrug).
- Vastzittende (niet scheve) staartwervels.
- Naar binnen draaiende voorvoeten (ook als dat maar
een beetje is).
- Teveel naar buiten draaiende voorvoeten.
- Platte dijen.
- Hoeking van de hak te groot (steile hoeking).
- Hoeking van de hak te klein, ondergeschoven stand van
de achterhand.
- Hakken die naar binnen draaien (koehakkig) of naar
buiten.
- Steltgang of overdreven rollende gang in achterhand.
- Ademnood, luidruchtige ademhaling.
- Witte staartpunt of wit aan de voorkant van de benen,
boven handwortel en voetwortel.
- Witte beharing , zonder onderbreking , van de
voorborst tot aan de keel
Diskwalificerende fouten - Te
agressief of verlegen/terughoudend gedrag.
- Lang en recht hoofd met weinig opvallende stop, met
een neusrug meer dan een derde van de lengte
van het hoofd (gebrek aan hoofdtype).
- Neusrug evenwijdig aan de bovenlijn van de schedel of
aflopend (‘Roman nose’).
- Gedraaide kaak (kruisgebit).
- Niet ondervoorbijtend.
- Hoektanden permanent zichtbaar bij gesloten mond.
- Permanent uit de gesloten mond hangende tong.
- Blauwe ogen , uitpuilende ogen
- Staart met een knik, hoek of bocht erin
(kurkentrekker staart).
- Geatrofieerde (verlamd/verschrompeld) staart.
- Nauw front met zeer slappe pols.
- Hoeking van de hak open naar achteren.
- Wit op hoofd en lichaam, een andere vachtkleur dan
rood en in het bijzonder "brindle" of bruin (chocola=elke haar volledig bruin)
- Zichtbaar invalide makend defect.
Elke hond die duidelijk lichamelijke of
gedragsafwijkingen vertoond zal gediskwalificeerd worden.
Reuen moeten in het bezit zijn van twee kennelijk normale testikels, die
volledig zijn afgedaald in het scrotum.
|
|